Op deze website wordt u het overzicht - meer dan - ‘100 jaar Orthopedagogiek’ gepresenteerd.

U treft hiernaast als eerste het onderdeel
'<< 1909' aan. U komt via deze 'knop' bij
de gebeurtenissen voorafgaand aan 1909, het oprichtingsjaar van - de voorlopers van - het Tijdschrift voor Orthopedagogiek.
Daar kunt u via de 'knop' '>>1909' naar de huidige pagina terugkeren.
Hiernaast wordt het overzicht van 1909 tot en met het huidige jaar weergegeven.

Binnen dit jaaroverzicht wordt een 5-tal categorieën weergegeven, te weten:
 

  •  
    Wetten en regelingen
  •  
    Gebeurtenissen
  •  
    Ontwikkelingen in het veld
  •  
    Artikelen
  •  
    Ontstaansgeschiedenis

    Zie voor verdere informatie:
    Colofon - Disclaimer - Over (rechts - onder)

100 Jaar - 1857

  • VERSLAG NOPENS DEN STAAT DER HOOGE, MIDDELBARE EN LAGERE SCHOLEN IN HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN, OVER 1857 - 1858.
    LINK
     
  • De Onderwijswet - minister van justitie Van der Brugghen -. Deze poogde een einde te maken aan de schoolstrijd tussen de voorstanders van openbaar en bijzonder onderwijs, die was ontstaan door de Onderwijswet van 1806. In deze wet wordt geregeld dat uitsluitend het openbaar onderwijs wordt gesubsidieerd. Het onderwijs op openbare scholen dient toegankelijk te zijn voor kinderen van elke godsdienstige gezindheid en het onderwijs dient neutraal te zijn. In deze wet wordt voor het eerst in Nederland voorgeschreven in welke vakken lager onderwijs dient te worden gegeven: verplichte schoolvakken werden uitgebreid met aardrijkskunde, kennis der natuur, zingen, geschiedenis en ‘vormleer'. Ook waren er enkele facultatieve vakken: moderne talen, handwerken en gymnastiek.
    Het woord 'normaalklassen' verscheen voor het eerst: in artikel 12 werd bepaald dat 'van rijkswege aan enkele der meest voortreffelijke lagere scholen normaallessen' zouden worden verbonden. Deze dienden uitsluitend ter voorbereiding op het staatsexamen voor de zogenaamde 'hulpakte', de Akte van Bekwaamheid voor hulponderwijzer, een van de twee diploma's die toen de eerdere vierdeling in akten gingen vervangen. Dit had mede te maken met de genoemde uitbreiding van vakken. Voor de tweede akte, die van hoofdonderwijzer, kon je alleen opgeleid worden op de kweekscholen. Naast deze twee opleidingsmogelijkheden was er een derde mogelijkheid, de opleiding op de lagere scholen, meestal 'opleidingsklas' geheten. Het verschil met de normaalscholen of -lessen was dat daar verschillende docenten lesgaven en dat het onderwijs in een opleidingsklas verzorgd werd door het hoofd van de lagere school waaraan de klas verbonden was.
    In artikel 12 werd onder druk van de Tweede Kamer oorspronkelijk opgenomen dat er 'van Rijkswege minstens ééne kweekschool' zou komen; in het definitieve wetsontwerp worden dit er twee. Uiteindelijk worden het er op 5 februari 1860 bij Koninklijk Besluit drie - Groningen, Haarlem, Den Bosch -.
    Ook de klassengrootte werd in de nieuwe regelgeving belangrijk: bij meer dan 70 kinderen diende een kwekeling ingezet te worden. Bij meer dan 100 een hulponderwijzer.
    Onderwijsvormen in deze wet waren: de lagere school; het meer uitgebreid lager onderwijs (mulo); de hogere burgerschool (hbs). In 1878 werd de wet aangepast. Er waren vier soorten scholen: de Armenschool, de Herhalingsschool, de Tweede Burgerschool voor vooral middenstandskinderen en de Eerste Burgerschool voor de beter gesitueerden. Buiten de Herhalingsschool waren ze voor jongens en meisjes, die wel gescheiden van elkaar zaten.
    Wettekst
    LINK

    Download
     


    Les in de lichamelijke oefening, buiten het schoolgebouw in de vrije natuur. Dit onderwijs was verdeeld in verschillende sectoren, waarvan men hier een afbeelding aantreft van het onderdeel
    springen (met of zonder polsstok). Onderwijs in de lichamelijke oefening binnen kwam zelden voor, aangezien men daarvoor geen ruimte wist in te richten.
  • Het ´pokkenbriefje´ wordt afgeschaft.
  • Op 14 november wordt ds. C. E. van Koetsveld benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
  • Oprichting van de eerste meel- en broodfabriek in Nederland.
Gerard Heymans
1857–1930
Bezocht de HBS te Leeuwarden en haalde in 1874 het einddiploma. Studeerde daarna  rechten en wijsbegeerte aan de Universiteit van Leiden onder Jan Pieter Nicolaas Land; behaalde in 1879 cum laude zijn doctoraal in de staatswetenschap. Verder studeerde hij te Freiburg im Breisgau wijsbegeerte, waar hij in 1881 bij Wilhelm Windelband promoveerde. Hij werkte vervolgens als repetitor voor de rechtswetenschap in Leiden en aanvaardde hier op 21 mei 1883 een privaatdocentschap in de wijsbegeerte. In deze functie gaf hij colleges over 'beginselen der wis- en natuurkundige wetenschappen'.
Op 18 juni 1890 werd hij tot hoogleraar te Groningen benoemd in de faculteit der letteren en wijsbegeerte met als opdracht het geven van onderwijs in de geschiedenis der wijsbegeerte, de logica, de metafysica en de zielkunde. Op zaterdag 27 september 1890 aanvaardt Heymans zijn ambt met de inaugurele rede Het experiment in de philosophie. Heymans doelt hier op de experimentele methoden die in de psychologie in opkomst zijn. Hij ijvert voor de oprichting van een psychologisch laboratorium en slaagt er ook in dit in Groningen gevestigd te krijgen: het eerste in ons land. Men was tot dat moment  gewend de psychologie als een soort aanhangsel van de filosofie te beschouwen. In dit laboratorium doet Heymans vooral experimenten op het gebied van het gezichtsbedrog, de psychische remming en de onderscheidingsminima bij vermenging van contrastkleuren. Deze onderzoekingen liggen op het gebied van de algemene psychologie. Nog belangrijker zijn Heymans’ onderzoekingen - met behulp van enquêtes die zeer modern zijn opgezet - op het gebied van de zogenaamde speciale psychologie. Het is vooral op dit gebied dat Heymans blijvend een internationale naam vestigt. Hij doet dit onderzoek naar psychische eigenschappen met behulp van zijn collega in de psychiatrie, E.D. Wiersma. Hij stelt op grond hiervan voor de verschillende karaktertypen zijn kubus samen, volgens welke alle verschillen terug te brengen zijn tot drie hoofdonderscheidingen, activiteit, emotionaliteit en 'secundaire functie' (de mate waarin eerdere voorstellingen blijven doorwerken in het bewustzijn).
Hij bleef hier hoogleraar wijsbegeerte en psychologie tot 1927. Onder zijn studenten waren H.J.F.W. Brugmans, J.J. Poortman en Jacob Luning Prak. In 1919 werd Heymans de eerste voorzitter van de Studievereniging voor Psychical Research. Van 1918 tot 1928 was hij aan de Vereeniging voor Peadagogisch Onderwijs verbonden als secretaris.
Heymans was lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) te Amsterdam tot november 1919, toen hij uit protest wegens de naar zijn mening niet neutrale houding van de  Akademie zijn lidmaatschap opzegde.
Heymans' werkterrein strekt zich uit van de kennisleer, methodologie, metafysica, esthetica, ethiek en heilsleer tot de algemene psychologie, speciale psychologie, psychologie der vrouwen en parapsychologie.
Vader: Notaris en later gemeentesecretaris.
BRON - BRON - BRON

J.W.H. Wijsman
1857-1928
Geboren in Den Haag. Studeerde in Amsterdam en deed in 1881 artsexamen. Hij ging vervolgens naar Parijs waar hij zich aan de psychiatrie wijdde en vertrok in 1882 naar Indië waar hij gedurende 5 jaar officier van gezondheid was. Vervolgens was hij 11 jaar geneesheer-directeur van het ‘gezondheidsetablissementSinkang Laja. Terug in Holland vestigde hij zich uiteindelijk in 1900 in Den Haag waar hij zich bezighield met ‘achterlijke kinderen en spraakgebrekkigen’. Door de gemeente werd hij in 1904 tot schoolarts benoemd als opvolger van de overleden Dr. Tellegen.
Wijsman was de eerste in Nederland die aandacht vroeg voor de  Intelligentietest van Binet. Hij was voorzitter en vice-voorzitter van O en A. en  redacteur van het tijdschrift.
Die met hem in aanraking kwamen, waardeerden zijn bereidwilligheid, nooit werd door of voor onze vereeniging een vergeefsch beroep op zijn medewerking gedaan. Wie hem nader kenden en ik reken me gelukkig tot de weinigen te behooren, die hij een blik liet slaan in wat er in zijn hart omging, — wisten, hoe goedhartig, tot aan het weekhartige toe, hij van inborst was. Het leven had hem niet gespaard en als reactie daarop, trachtte hij dikwijls achter een uiting van ruwhartige scherts, zijn gevoeligheid te verbergen.
De medische wetenschap had zijn hart. Tot zijn plotselinge dood toe, bleef hij werken en weinig van 't geen op zijn speciaal gebied, psychiatrie en neurologie, verscheen, ontging hem. Scherpzinnig opmerker als hij was, wist hij dadelijk het kaf van het koren te scheiden en rustte niet, voor hij alles had gewogen en dikwijls te licht had bevonden. Want zijn medisch ideaal stelde hij hoog, aan moderichtingen deed hij niet mee en scherp kon hij hekelen wat, onvoldoende gedocumenteerd, zich als waarheid aandiende. Als hij door een vraag op medisch gebied uit zijn tent was gelokt, waren zijn uiteenzettingen scherp belijnd en duidelijk. Ze droegen het kenmerk van groote belezenheid, gepaard gaande met een uiterst sterk geheugen en helder oordeel.’ (P.H. Schreuder.)
BRON: Het Vaderland: staat- en letterkundig nieuwsblad, Teraardebestelling Dr. J.W.H. Wijsman. 17-04-1928.
BRON: P.H. Schreuder. Dr. J.W.H. Wijsman. Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs, 9, 114-115.


 

  • Oprichting van het Huis van verbetering in Alkmaar.